Ik bel aan en hoor een hoop gemopper en gescheld in de gang. 'Godverdomme, wel is doar nou weer? Loat me toch met rust. Dat gesodemieter ook altied aan mien deure, hai, hai.'
Er doet een klein vrouwtje de deur open, met kale plekken op haar hoofdje. Ze gluurt naar mij uit kleine, slimme oogjes. 'Wat mot dat hier. Most een trap in de pens hebben?'
Ik doe net of ik haar niet hoor en kijk naar de schilders aan het balkon. 'Dat ziet er eng uit', zeg ik. 'Zou ik niet durven, met die harde wind op zo'n ding staan.'
'Ach mens, doe toch niet zo schijterig, wat is daar nou aan te durven?', zegt ze. 'Dat durf ik zelfs nog. Enne, bliefst doar stoan of komst der nog in wicht, koffie is kloar.'
'Durf niet. Durf niet.', mompelt ze in zichzelf. 'Ik durf alles.'
Ze schenkt koffie in en gooit een lijstje voor me op tafel. Met haar bloedwaarden. Mooi zo, daar kwam ik voor. Ze zijn wel erg laag. 2,3. 2,4. 'Ik voel me best', zegt ze. 'Nooit ergens last van. Al dat gezeur an mien kop door jullie. Bist ook een Stadjer he? Oosterpark. Dat heur ik wel. Ik kom van Zaagmuldersweg.' Ik vraag me af hoe ze in godsnaam kan horen dat ik daar opgegroeid ben. Ik dacht dat ik het aardig verborgen had zo langzamerhand.
'Ik van de Gorechtkade.'
'Mooi wonen he, Oosterpark, of nait dan?'
'Zo is't maar net', zeg ik. 'Zo is't maar net. Ik ga er weer vandoor, ik moet nog meer doen vandaag.'
'Ja, moi wicht. Komst murgen weer? En die andere huf ik nait, die Friezin. Die komt er nait in hier. As ik hoar zie sla ik her veur de bek.'
'Ach, doe je toch niet', zeg ik. 'Grootspraak.'
Ze knipoogt naar mij. 'Wij wichter uit het Oosterpark snapp'n elkaar wel he?' En zo is het.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten