zondag 2 mei 2010

thuiszorg

Het waait en regent. Aan de buitenkant van de hoge flat hangen schilders aan steigers. Als ik langsloop in mijn witte schort groeten ze. ' Wat een wind he?' Ja, inderdaad. wat een wind. Ik ben onderweg naar een mevrouw die een slecht ingestelde diabetes heeft en daardoor vaak erg boos en achterdochtig is. Als ze echt laag zit is er geen land mee te bezeilen. Dan schijn je er niet binnen te komen. Ik ga er voor het eerst naar toe en het wijkhoofd had me niet veel hoop gegeven. ' Ze laat je vast voor de deur staan.'
Ik bel aan en hoor een hoop gemopper en gescheld in de gang. 'Godverdomme, wel is doar nou weer? Loat me toch met rust. Dat gesodemieter ook altied aan mien deure, hai, hai.'
Er doet een klein vrouwtje de deur open, met kale plekken op haar hoofdje. Ze gluurt naar mij uit kleine, slimme oogjes. 'Wat mot dat hier. Most een trap in de pens hebben?'
Ik doe net of ik haar niet hoor en kijk naar de schilders aan het balkon. 'Dat ziet er eng uit', zeg ik. 'Zou ik niet durven, met die harde wind op zo'n ding staan.'
'Ach mens, doe toch niet zo schijterig, wat is daar nou aan te durven?', zegt ze. 'Dat durf ik zelfs nog. Enne, bliefst doar stoan of komst der nog in wicht, koffie is kloar.'
'Durf niet. Durf niet.', mompelt ze in zichzelf. 'Ik durf alles.'
Ze schenkt koffie in en gooit een lijstje voor me op tafel. Met haar bloedwaarden. Mooi zo, daar kwam ik voor. Ze zijn wel erg laag. 2,3. 2,4. 'Ik voel me best', zegt ze. 'Nooit ergens last van. Al dat gezeur an mien kop door jullie. Bist ook een Stadjer he? Oosterpark. Dat heur ik wel. Ik kom van Zaagmuldersweg.' Ik vraag me af hoe ze in godsnaam kan horen dat ik daar opgegroeid ben. Ik dacht dat ik het aardig verborgen had zo langzamerhand.
'Ik van de Gorechtkade.'
'Mooi wonen he, Oosterpark, of nait dan?'
'Zo is't maar net', zeg ik. 'Zo is't maar net. Ik ga er weer vandoor, ik moet nog meer doen vandaag.'
'Ja, moi wicht. Komst murgen weer? En die andere huf ik nait, die Friezin. Die komt er nait in hier. As ik hoar zie sla ik her veur de bek.'
'Ach, doe je toch niet', zeg ik. 'Grootspraak.'
Ze knipoogt naar mij. 'Wij wichter uit het Oosterpark snapp'n elkaar wel he?' En zo is het.

vrijdag 5 februari 2010

Thuiszorg

Nadat ik mijn auto in de parkeergarage heb gezet, loop ik naar het huis van mijn client. Nooit patient zeggen, dat is ouderwets en schijnt niet te getuigen van enig respect. Waarom eigenlijk niet? Wat is er mis met het woord op zich? Wanneer ben je een patient? Als je dat zelf vindt, als je familie dat vindt, als je een 'echte' ziekte hebt of als een dokter het zegt? Goed, tegenwoordig is niemand dus meer een patient. Men is een client. En de client is koning. Toch? Zou het daarom gaan? Ik werk nu in de particuliere thuiszorg, de client betaalt, of de familie betaalt. En wie betaalt is koning en dus de baas. Ik werk soms bij een meneer van ver in de tachtig. Hij laat zijn brood dagen op het aanrecht staan. Tot de schimmel erop staat. Dan gooi ik het weg. In de vuilnisbak in de keuken. Zijn schoondochter schrijft dan in het grote boek dat er zomaar boterhammetjes weggegooid worden. En dat dat niet nodig is. Misschien wil ze ze aan de vogeltjes geven, of aan de eendjes in het park. Of zou ze dat oude, verschimmelde brood zelf op willen eten? En waarom maakt ze zich zo druk om een paar broodjes, terwijl het overduidelijk niet goed gaat met haar schoonvader? Hij wil dood, wil van zijn balkon springen, wil nooit weer wakker worden, heeft het wel gezien. Ach ja, dan wil je je brood wel eens vergeten.Morgen ga ik weer naar hem toe. En heb de afspraak met hem gemaakt dat hij een bad zal nemen. Hij wil dat eigenlijk niet. Eerst dacht ik dat hij het vervelend vond dat ik hem naakt zou zien, maar toen ik hem dat vroeg moest hij lachen. 'Welnee mens, ik zwom vroeger altijd naakt, wat kan mij dat schelen. Maar ik vind het zo'n gedoe, dat aan- en uitkleden. En zo nutteloos. Wie ziet dat nou nog? Of ik schoon ben of niet. Bovendien, vroeger gingen de mensen haast nooit in bad en ze werden zomaar negentig. En ik wil helemaal geen negentig worden! Ik wil morgen niet weer wakker worden.' Wat zeg je op zoiets? Niets tegenin te brengen. In de maand dat ik er nu werk heb ik hem een keer in dat bad gekregen en hij vond het heerlijk. Hij spatte alles nat, net als een kind en hij wou er niet weer uit. 'Even nog hoor, even nog.' Na die tijd leek hij het vergeten te zijn. Wat hem ook wel goed uitkwam. Vuil water stroomt mijn deur voorbij....... Morgen gaan we het weer proberen, na keiharde onderhandelingen. De vredesonderhandelingen in het Midden Oosten zijn er niets bij. Ik heb hem gewaarschuwd: 'Ik ben te vergelijken met een terrorist, ik voer een guerilla, ik doe alles om te winnen.' Hij moet erom lachen. De vorige keer zat hij keurig om negen uur 's ochtends in zijn pyjama klaar. En dat ontroerde me zo. Ik had het niet verwacht. Nu ben ik zo benieuwd naar morgenochtend. Als mensen in 'zaken' en andere serieuze dingen het hebben over de uitdagingen in hun werk zeg ik dat de uitdaging in mijn werk een eenzame oude man in pyjama is. En dan kijken ze me wat meewarig aan...........Tja, ieder zijn vak nietwaar, ieder zijn vak.